Familie met groot huizenbezit: Kien - Römer - Ragay - Van Sorgen

Plompetorengracht 19 is in 1894 grotendeels vernieuwd en al decennia in het bezit van dezelfde familie. Naast Plompetorengracht 19 hebben zij in de directe omgeving veel panden opgekocht. Waarom kopen zij die panden en wat doen ze er mee?

Alle eigendommen van panden in het kwartier zijn sinds 1832 beschreven in het Kadaster. Voor die tijd wordt een eigendomsakte gedeponeerd bij Het Gerecht. Onveranderlijk zijn de akten opgesteld door een notaris en zij houden er uitgebreide archieven op na.

Zo is tot in de 16e eeuw na te gaan wie eigenaar was van de huisinge, erve, hofstede, stal, schuur, koetshuis, kelder en kluis etc.. In 1566 behoort het tot de boedel van wijlen Peter Dirckss Nooteboom. Van 1627 tot 1645 hebben Dirck (Willem) Strick en zijn vrouw Henrica Ploos van Amstel het huis in eigendom. Strick is rentmeester en leengriffier van de Abdij van St. Paulus. Veel later in 1780 verwerft Johan Lambertus Kien de panden Plompetorengracht 17 en 19. Op de foto de gevel van het in 1894 grondig verbouwde Plompetorengracht 19.

Mr. J.L. Kien, Johan voor een zeer beperkt aantal intimi, is neef van burgemeester Kien van Utrecht. Over onze oudere buurtgenoot is bekend dat hij als jurist verbonden was aan het Hof van Utrecht en de Militaire Rechtbank. Hij is geboren in 1749, enig erfgenaam van zijn ouders en op 85 jarige leeftijd overleden in zijn woning Plompetorengracht 17 (wonend naast zijn dochter Römer-Kien op Plompetorengracht 19).

Hij laat zich er op voorstaan dat hij secretaris was van het kapittel van de Dom, een erebaan. Hij is secretaris in een tijd waarin een grote verandering gaat plaatsvinden. Kapittels zijn beheersorganisaties over de bezittingen van de onteigende katholieke kerk. Er zijn 5 kapittels in Utrecht en het Dom kapittel is er één van. Na meer dan 300 jaar komt er in zijn tijd een einde aan de kapittels. De Bataafse Republiek - van 1796 tot 1806 - voegt alle goederen van de kapittels bij die van domeinen en de kapittels worden ontbonden. Johan raakt zijn goed betaalde erebaan kwijt!

Afkomstig uit een familie met enig bezit, en gehuwd in 1777 met de niet minder bemiddelde Petronella Johanna van Reenen, heeft Johan de klappen van de zweep met onroerend goed goed geleerd. Bezit, kennis en tijd stellen hem in staat om het noordelijk deel van het Ridderschapkwartier successievelijk te kopen. In 1835 bij zijn overlijden, staat al het licht en donker paars gekleurde bezit op zijn naam:

Het Ridderschapkwartier: bezit van de familie Kien-Romer
Op de kaart staat het noordelijk deel van het kwartier, groen is de tuin van apotheker Klinkenberg. Het bezit van Kien omvat Plompetorengracht 17, 19 en 21 met de tuinen tot achter de wal, Molenstraat 10 en hoger met het oude pandje en steegje voor nummer 2. De Wolvenstraat en het Wolvenplein bestaan nog niet.
In 1835 overlijdt Kien, hij was al 29 jaar weduwnaar en vele jaren rentenier. Hij laat de bezittingen in het Ridderschapkwartier na aan zijn enige dochter Johanna Marialam, de echtgenote van mr. J.W.E. Römer. De bezittingen aan de Molenstraat worden door de erfgename uitgebreid met de nummers 6 tot en met 16. In 1884 wordt door de volgende generatie Ragay-Römer een geheel nieuwe stal met stalling en een koetsierswoning gebouwd in de Molenstraat. Deze gebouwen staan er in aangepaste vorm nog steeds.

In 1875 is de voormalige tuin van apotheker Klinkenberg aan het bezit toegevoegd. De tuin is al iets kleiner geworden in verband met de aanleg van het Wolvenplein en de verkoop van het stuk Wolvenstraat 7-25. Eén van de dochters Römer is getrouwd met David A.A. van Sorgen en de enig erfgenaam wordt hun zoon mr. Willem G.F.A. van Sorgen. De andere drie zussen blijven kinderloos en broer Römer krijgt een zoon die niet voor nageslacht zorgt. Twee zussen zijn overigens gehuwd met de heer Ragay, de jongste na het overlijden van de oudere.

Plompetorengracht 19 achterzijde, aquarel uit circa 1894
We gaan terug naar mr. W.G.F.A. van Sorgen, hij trouwt met de dochter van de aangetrouwde oom Ragay uit een eerder huwelijk van hem. Met een 'stief-nicht' zou je kunnen zeggen, Johanna Catharina Ragay.
W.G.F.A. van Sorgen in 1884
Het echtpaar Van Sorgen-Ragay woont in 1894 op Plompetorengracht 17-19 na een grondige verbouwing. Het pand is groot, het heeft een ruime tuin met een begroeiing rondom van bomen en hoge heesters. Bijbehorend is het koetshuis, de stallen en de koetsierswoning aan de Molenstraat en het oude koetshuis aan het Wolvenplein. Inwonend zijn een huishoudster en twee dienstbodes en koetsier Tilleman woont in Molenstraat 6. Van Sorgen is opgeleid als jurist en letterkundige, over hem is meer bekend.

Hij staat bekend als een steun voor hulpbehoevenden in de kunstwereld en zijn warme hart voor het toneel, toneelspel en toneelspelers. Veel tijd besteed hij aan zijn functie in de Raad van Beheer der Koninklijke Vereniging Het Nederlands Toneel in Amsterdam. Per trein reist hij enkele keren per week naar de hoofdstad als hij artistiek leider wordt van het gezelschap. In Utrecht is hij secretaris-penningmeester van het Nederlands Toneel-Verbond, afdeling Utrecht. Schrijver is Van Sorgen ook, van de romans Oom George (1879), Klaartje (1885), Porcelein (1890) en Mr. E. de Breul van Oosthuyzen (1895). Voor het Utrechtsch Dagblad is hij toneelschrijver en hij schrijft voor het Tijdschrift De Kunstkring. Piano en orgel speelt hij zo goed dat hij in de Domkerk menig kerkgezang begeleidt op het orgel. Hij was een multi-talent en is overleden in 1898 op 53-jarige leeftijd.

Het domein in het Ridderschapkwartier:

Het latere bezit van de familie Romer-Ragay-Van Sorgen in tinten paars
Zoon Willem G.T.H. van Sorgen is in 1905 de erfgenaam van het domein. Hij is (deeltijd-) machinist op de stoomtreinen van de Nederlandse Centraal Spoorwegmaatschappij, voor die taak heeft hij een opleiding op de machinistenschool gevolgd. De erfenis aan onroerend goed wordt ondergebracht in de anonieme “N.V. Maatschappij 'De Unie' tot het exploiteren van onroerende goederen”. Hij verhuist met het personeel naar de in 1908 gekochte buitenplaats Blanda te Zeist. De bezittingen in de stad worden door 'De Unie' geëxploiteerd en verkocht. In 1919 is alles van de hand gedaan.

Het hoekhuis van de familie Van Sorgen is overigens in prima conditie, het is bezit van Mitros en wordt bewoond door jonge studentes.

.