Woningbouw na 1615 in de Molenstraat

Tot begin 17e eeuw wonen op de Molenstraat nog nonnen van het Wittevrouwenklooster. Daarna komt de Molenstraat aan beide zijden van de straat in zo’n dertig jaar tot ontwikkeling.

Op het plaatje de situatie van de Molensteeg in 1832, een tekening van het kadaster en bewerkt door HisGIS.

Het Wittevrouwenklooster loopt geleidelijk na de reformatie leeg. Het klooster heeft ook diverse huizen of cameren tot aan de Molenstraat staan, zoals direct achter Plompetorengracht 13. Het Convent van Wittevrouwen verkoopt ze in 1630. Twee huisjes worden in 1630 gekocht door Peter Wildeman. Peter is molenaar op de molen aan het eind van de Molenstraat en woont daar in aan de wal gelegen kamers. Peter koopt de kamers van het Convent niet voor hemzelf. Eigenaar wordt de Daniël de Milan, bewoner van Plompetorengracht 11. De Milan zou ze wel rechtstreeks willen kopen. Maar De Milan is houder van een Bank van Lening, het Convent wil waarschijnlijk geen rechtstreekse zaken met hem doen.

Wildeman heeft als tussenpersoon gehandeld en het 'getimmerte' wordt eigendom van De Milan en sluit direct aan op zijn erf. Sinds die aankoop behoren deze kamers bij het bezit van Plompetorengracht 11 en gaan meer dan 300 jaar dienst doen als mangelhuis (voor de was), koetsenhuis, stallen en verblijf voor de knechten. Ongetwijfeld wordt het diverse malen verbouwd en aangepast aan deze functies, maar Molenstraat 1 en 3 blijven tot ver in de twintigste eeuw staan tot het gesloopt wordt voor de uitbreiding van een school.

De huizen ter hoogte van Molenstraat 5 en 7 worden in 1614 door het Wittevrouwenklooster verkocht aan Jan Jans van Langh: 2 kameren en een langs de Molenstraat gelegen erf. Op de kaart van 1832 is het als één woning ingetekend. In 1629 komt dit in bezit van timmerman Rijer Gosens Hack. Rijer gaat het erf richting de Ridderschapstraat bebouwen met maar liefst 5 nieuwe kameren, Molenstraat 9 tot en met 17. Tot 1810 blijven deze kamers bij elkaar in handen van wisselende eigenaren. Vlak voor de eeuwwisseling zijn ze in het bezit gekomen van Adriaan Groenhuizen. Adriaan is geboren in Midwolda (Groningen), maar is met zijn ouders al verhuisd naar Utrecht. Hij wordt in zijn leven rijk genoeg om eigenaar te worden van de vijf kamers. Hij woont op Molenstraat 11 en gaat op oudere leeftijd de andere kamers verkopen. In de 19e eeuw worden de meesten vernieuwd, Molenstraat 17 is waarschijnlijk nog de meest originele gevel uit de tijd van de vijf kameren.

Molenstraat 17, het meest originele huis uit
de oorspronkelijke rij van 5 kamers uit 1634
Op de hoek Molenstraat – Ridderschapstraat staan in 1614 twee kamers. Ze worden in dat jaar door Thijs Claes de Ridder gekocht van het Wittevrouwenklooster. Thijs is leidekker van beroep. De panden bestaan uit drie kamers en worden naar alle waarschijnlijkheid behoorlijk verbouwd bij de aanleg van de Ridderschapstraat. Metselaar-aannemer Van Milhuysen heeft ze in die periode in zijn bezit, net als de andere hoek van de Ridderschapstraat. De nieuwe de gevel met een afschuining voor de nieuwe straat komt in deze periode tot stand. Het wordt een grutterij met gruttersmolen en een kamerwoning. Daarnaast is vele jaren een klein café met vergunning voor dun bier, genever en brandewijn. We hebben het over de 18e eeuw.

Aan de overkant, met nu de Wolvenhof erachter, is in 1609 door het Convent een erf met een getimmerte verkocht aan Anthonie van Drielenborch. Hij is bewoner en eigenaar van Plompetorengracht 15 en 17. Drielenborch houdt een toegang in de Molenstraat vrij naar Plompetorengracht 17 en zijn familie verkoopt de rest in 1634 aan Lenert Mulck. Deze Mulck neemt maar liefst 6 hypotheken op het perceel, en het wordt duidelijk waarvoor de hypotheken gebruikt worden. Ze zijn niet alleen op een huis met tuin, maar ook de 9 nieuwe woningen die daarnaast staan! In de akten is overigens sprake van een huis met 9 kameren erachter, vanaf de Plompetorengracht bezien staan de kamers immers erachter.

Molenstraat 4, het meest originele huis
uit 1644 van de oorspronkelijke rij van 9 kamers, 
tegenwoordig met een nieuwe gevel uit 1859
In 1639 is met een eerste hypotheek (dit heette indertijd een plecht) van f 1.000 de bouw waarschijnlijk begonnen, in 1644 staan er 9 kamers met in totaal 6 hypotheken. In dat jaar is nog voor f 800 aan stenen geleverd. Het totaal aan hypotheken is opgelopen tot f 7.600. Molenstraat 2 en 4 zijn nog de enige overgebleven “kamers” van de 9. Het oorspronkelijke huis (nummer 0) is in 1860 gesloopt, de kavel wordt het pad naar het toenmalige koetshuis achter Plompetorengracht 17.

En dan rest Molenstraat 20 en 22, een tuin zit tussen deze panden en Molenstraat 18. In 1832 heeft Catarina van Calcker er twee kameren die grenzen aan de heymuur van het gemeene pad langs de wal. Met een openbare verkoping komt dit in 1741 in bezit van Maria van der Spil. Het wordt de hoek Wolvenplein-Molenstraat.
Uiteindelijk komt deze zijde van de Molenstraat vrijwel helemaal in bezit van de heer Kien, verzamelaar van onroerend goed en wonend te Plompetorengracht 19. Hij is ook eigenaar van de tuin ernaast en erachter. De pandjes blijven meer dan honderd jaar binnen de familie. Op bovenstaande ingekleurde kaart van het kadaster uit 1832 staan alle kamers nog ingetekend.

Molenstraat 6 tot en met 22 zijn in 1884 allen gesloopt voor nieuwbouw voor de nazaten van buurman Kien, de familie Römer. In 1899 wordt het huidige hoekpand Wolvenplein 9 en 10 nieuw gebouwd. De Molenstraat wordt een straat van o.a. stukadoors, sigarenmakers en smeden.

Zie de Molenstraat tot 1615.

.