Utrecht: van riolering tot hygiene


De openbare afvoerkanalen worden schoner. Dat is geen vanzelfsprekendheid. Zijn er parallellen tussen de gezondheidszorg van de 19e eeuw en de strijd om het milieu in deze tijd?


De hygiëne laat in de 19e eeuw sterk te wensen over. De aanwezigheid van uitwerpselen in de woonomgeving is een bron voor besmetting. Het bedreigt de gezondheid in ernstige mate. Oplossingen komen uit onverwachte hoek en roepen veel weerstand op.

Aan het eind van de Diendersteeg (nu Wolvenstraat) achter de Wal, woont rond 1840 Hendrik de Vrij. Hendrik is op z’n 60-ste elke dag actief, al zien de meesten dat niet. Hendrik is namelijk nachtwerker. In het beroepsnamenboek van Glasbergen wordt uitgelegd wat dit is: secreet- of rioolruimer. En waar gaat het door Hendrik verzamelde afval heen? De centrale beerput of beerkelder zit naast de Plompetoren op de Asch van Wijckskade. Dit lijkt dicht bij de singel, maar door transport per scheepjes zijn de moestuinen rondom de stad de voornaamste bestemming van de mest. Uit het beroepsmotto van Hendrik blijkt dat hij van meer markten thuis is:

   Hier woont baas Hendrik bij iedereen geacht
   Een ander werkt bij dag, ik altijd meest bij nacht
   Ik maak riolen schoon, tart elk in ’t schoorsteenvegen
   Al die mij goed loon geeft, dien laat ik niet verlegen

De bevolking in de stad groeit sterk in de tweede helft van de 19e eeuw. Het is ook de eeuw waarin de bevolking regelmatig geplaagd wordt door ziekte en vroegtijdige sterfte. De levensverwachting ligt niet hoog, de kindersterfte is in 1890 zelfs 21%. Maatregelen blijven uit, ook omdat er veel onenigheid is over de beste aanpak. Het heeft grote gevolgen: ouderen blijven achter zonder kinderen en daardoor zonder verzorging. Families hebben geen erfopvolger en sterven uit. Maar dit blijft niet zo, wat veroorzaakt de kentering?

Stedelingen lozen hun fecaliën illegaal in de singels en grachten en de slachthuizen doen hetzelfde met hun slachtafval. Het water van veel watergangen staat vaak stil, het gevolg is een enorme stank en aanwas van bacteriën. Regelmatig doorspoelen vinden de beheerders van De Vecht en de Leidsche Rijn geen goed plan, zij krijgen dan verwijten van bewoners die verderop aan die rivieren wonen en er hun water uithalen. Er zijn in het land al sinds 1815 gemeenten met ‘Openbare Gezondheidscommissies’ die de gemeenteraad adviseren. Utrecht stelt pas in 1859 een commissie in . Zij controleert niet alleen drinkwater, levensmiddelen en slachtplaatsen, maar ook riolering, luchtverversing in woningen, scholen en openbare gebouwen. Pas geleidelijk dienen zich oplossingen aan. Die komt uit onverwachte hoek. Door verbeterde microscopen worden bacteriën ontdekt. Het is nog lang niet duidelijk dat dit ziekteverwekkers kunnen zijn, maar de eerste signalen wijzen daar wel op. Bacteriën zijn er in ieders leefomgeving, maar in die tijd ook in het drinkwater. Dat water komt uit welputten in of bij huis en uit gemeenschappelijke pompen in de buurt. Daar is het niet schoon en met het toenemen van de bevolking nemen verontreinigingen toe.

Twee methoden voor het riool dienen zich aan. Rond 1870 leggen bewoners van grote panden aan de Plompetorengracht afvoerpijpen aan, aangesloten op eigen beerputten. In de straten van de kleine luiden komen in de tuin privaten die door middel van het tonnenstelsel worden leeggehaald. Het duurt lang voordat de hygiëne doorbreekt in de toiletgang. Hoe zit het met de secreten in de tweede helft van de 19e eeuw? Molenstraat 17 en Plompetorengracht 9 laten de verschillen zien. En verschil is er:


Molenstraat 17 kakt op een ton, Plompetorengracht 9 op een poepdoos met afvoer naar een beerput. Is dit standsverschil in het kakken ook een verschil in hygiëne? Dat is maar de vraag.

De Stad Utrecht kiest in 1876 voor het tonnenstelstel! Te vaak verdwijnt de inhoud van beerputten namelijk in de openbare wateren of de ondergrond. Het tonnenstelsel beoordeelt de stad als hygiënischer. Wekelijks legen nachtwerkers de tonnen. De al functionerende beerputten moeten over naar het tonnenstelsel. Meer dan veertig jaar blijven nachtwerkers de tonnen ophalen. De moestuinen rond de stad ontvangen daaruit hun bemesting.

Riolering zoals wij die nu kennen laat lang op zich wachten. Pas in 1910 komen de eerste buizen in gemeentegrond met een centrale afvoer naar gemeentelijke beerputten. Zuigwagens legen deze centrale putten. Pas rond 1957 sluit de stad deze putten met persriolen aan op een rioolzuivering. Tot die tijd lozen ook nog eens veel panden op de singel en de Plompetorengracht, bij panden aan de Oudegracht zelfs tot twintig jaar geleden! Dat is ook voor de vele woonboten het geval. Inmiddels is het in de grachten een stuk schoner en komt er geen verontreiniging meer bij, af en toe een fiets daargelaten. De bodem van de Plompetorengracht is in 2010 grondig van de ‘laatste’ verontreinigingen ontdaan.

Een tweede oplossing is de aanleg van waterleiding. Tot ver in de 19e eeuw komt het water uit eigen waterputten en gemeentelijke waterpompen. Zij voldoen door bodemverontreinigingen slecht. Waterleiding is pas vanaf 1883 aangelegd. Voor meer over gezondheidszorg: apothekers zijn in deze buurt voldoende aanwezig en het kwartier kent ook haar eigen Florence Nightingale.

De publieke opinie over de hygiëne in de 19e eeuw lijkt veel op de meningen die er nu zijn over de opwarming van de aarde. De wetenschappers zijn het eens over de de opwarming van de aarde, maar dat overtuigt lang niet iedereen. Hoe wordt daar over 100 jaar over geschreven?

.