Henriëtte Swellengrebel is de Florence Nightingale van Utrecht: grondlegster van het diaconessenhuis

De adellijke familie Swellengrebel woont op Plompetorengracht 11. De ambitie van dochter Henriëtte ligt niet binnen het huwelijk, maar in de gezondheidszorg. Als besturende zuster leidt ze de eerste “Inrichting voor Diaconessen voor Nederland” aan de Springweg. 

De 40-jarige jonkvrouw Henriëtte Swellengrebel in 1850. 

 Wonen blijft ze op de Plompetorengracht. Volgens tijdgenoten was ze een toonbeeld van wijsheid, achtbaarheid, eenvoud en vriendelijkheid. Bovenstaande foto toont in ieder geval dat ze wars is van ieder uiterlijk vertoon, iets wat juist algemeen voorkomt bij de aanzienlijke dames van de 19e eeuw. In de boekenserie "Utrechtse biografieën - Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Utrechters", van uitgeverij SPOU, wordt ze door J.N. van der Meulen uitgebreid beschreven.

Henriëtte is in 1810 geboren met de gouden lepel in de mond. Haar vader is officier van justitie aan de Rechtbank in Utrecht, heemraad en later dijkgraaf van de Lekdijk Bovendams en curator van de toenmalige Hoogeschool van Utrecht en haar moeder is actief in de liefdadigheid. Het gezin heeft 8 kinderen.
Henriëtte slaagt er niet in om een geschikte huwelijkskandidaat te vinden. Maar haar belangstelling ligt dan ook elders. Haar passie gaat uit naar liefdadigheid. In 1843 hoort ze over de in Duitsland en Parijs opgerichte inrichtingen van Diaconessen. Net als op de Engelse Florence Nightingale maakt het veel indruk op de 33-jarige Henriëtte. Ziekenverzorging staat in de kinderschoenen en verpleging moet als vak nog uitgevonden worden. De Diaconessen laten met resultaat de noodzaak van goede ziekenzorg zien. 

Vanaf het begin neemt ze deel aan de vergaderingen waarin de vestiging van een Diaconessenhuis in Utrecht - het eerste in Nederland - wordt voorbereid. Met giften en contributies wordt een klein huis aan de Springweg gehuurd en kan het werk op bescheiden wijze van start gaan. Het bestuur bestaat naast haar uit vier heren en drie dames. Bij toerbeurt oefenen ze het dagelijks toezicht uit en Henriëtte neemt als eerste de taak op zich.

In latere jaren maakt de tuin actief deel uit van het ziekenhuis
De Diaconessen zijn afkomstig uit alle lagen van de bevolking en werken vrijwillig, maar daar staat tegenover dat zij gratis kost en inwoning hebben en bij ziekte of ouderdom in het huis verzorgd worden. Het werk komt in de praktijk vooral neer op ziekenverzorging van patiënten van alle gezindten en van alle rangen en standen. Er zijn in het begin slechts enkele Diaconessen en het bezoeken van zieken in de stad is het begin van wijkverpleging.

Henriëtte Swellengrebel wordt na haar eerste periode als waarnemend directrice niet afgelost door een van haar vrouwelijke medebestuursleden, zoals afgesproken was: de dames hebben het te druk met andere zaken. In 1845 verzoekt het bestuur haar de betrekking van directrice of "besturende zuster" op zich te nemen. Haar ouders geven toestemming, mits zij thuis blijft wonen. Elke ochtend om zeven uur wandelt zij naar de Springweg en elke avond keert zij terug naar het ouderlijk huis aan de Plompetorengracht. Het adres aan de Springweg veranderde al snel door een verhuizing naar de Breedstraat en vlot daarna de Oudegracht (tussen de Bijlhouwerstraat en de Diaconessenstraat). Ook na het overlijden van haar ouders blijft het huis aan de Plompetorengracht een thuishaven, een rustpunt in haar drukke bestaan. Met haar deel van het geërfde vermogen kan ze het werk naar eigen inzichten inrichten en is ze in alle opzichten de steun en toeverlaat voor dit begin van een professionele ziekenzorg.

De beginjaren zijn het zwaarst. Naast geldzorgen en een hoge werkdruk, komen in de eerste jaren ook enkele Diaconessen te overlijden door besmetting met tyfus en tering. In het Diaconessenhuis verblijven medio 1865 tussen de 130 en 140 personen, die allen begeleid en gevoed moeten worden. Als besturend zuster regelt zij de huishouding, verzorgt de administratie, neemt Diaconessen en andere personeelsleden aan, verdeelt de werkzaamheden en beoordeelt de aanvragen voor verpleging. Daarnaast heeft zij tot taak belangstellenden uit binnen- en buitenland door de inrichting rond te leiden. Tweemaal ontvangt zij koningin Sophie, die zo onder de indruk raakt van de inrichting, dat zij financiële bijdragen geeft.

De zussen Henriëtte en Saartje Swellengrebel
Anna Henriëtta Swellengrebel komt in 1874 te overlijden, 64 jaar oud. Nicolaas Beets spreekt de zondag na de begrafenis een leerrede uit. Hij roemt de overledene, "die levenslang een sieraad dezer gemeente, en dertig jaren lang de toevlucht, de hulp en troost der kranken geweest is". Haar superieure vorm van management en toewijding worden nog generaties na haar geroemd. In de naam van het zorgcentrum Swellengrebel aan de Fockema Andrealaan leeft zij voort.
Het Diaconessenhuis moet op zoek naar een opvolgend zuster. Die vinden ze letterlijk, haar zus Sara Florissa Swellengrebel wordt gevraagd. Ondanks haar twijfels, zij denkt niet het niveau van haar oudere zuster te kunnen evenaren, heeft Saartje tot haar overlijden in 1881 de functie van besturend zuster tot tevredenheid vervuld.

Reconstructie van de voorgevel van Plompetorengracht 11 tot circa 1860
Het woonadres van de Swellengrebels is Plompetorengracht 11. Dat pand is tot 1860 veel groter dan het huidige, ongeveer de helft van buurpand 9 hoort erbij. Het pand heeft een groot hof met aan de Molenstraat een stal, koetshuis en doorgang naar de hof. Op die plek aan de Molenstraat is in 2016 een nieuw kantoor opgeleverd. Het huis Plompetorengracht is groot genoeg voor het gezin Swellengrebel. In 1839 wonen ze er met z’n twaalven: vader Swellengrebel is inmiddels 73, moeder 64, Johanna is 32, Floor is 30, Henriëtte is dan 28, Catharina is 26, Sara is 23, haar studerende broer Johan is 18. Een broer van haar is vijf jaar daarvoor op z’n 20-ste overleden. Het gezin heeft inwonend personeel in dienst, Wilhelm Klep is knecht en er zijn de dienstmeiden Anthonia Knappe uit Woudenberg, Catharina Koeboom uit Apeldoorn en Geertruida van Burkom uit Utrecht.



Slechts één van de kinderen trouwt, haar oudste zus. Deze zus bedingt in de erfenis een deel van het huis en zij en haar man kopen Plompetorengracht 9. In 1860 vindt een verbouwing en verkleining van Plompetorengracht 11 plaats, de helft wordt bij Plompetorengracht 9 gevoegd. Plompetorengracht 11 heeft in de afgelopen eeuw twee keer een deel van de Universiteit gehuisvest, de eerst keer was tot 1920 als Aardrijkskundig Instituut. De tweede keer was van 1965 tot 1998, na het vertrek van HBS De Munnik. Pas in het nieuwe millennium is het pand na een restauratie in 2006 ingericht als verblijf van gasten.

In de buurt waren meer vrouwen die goed leiding konden geven. In Utrecht Oost staat verpleeghuis Careyn Swellengrebel, vernoemd naar de adellijke dames.

.