Herbestemming Willemskazerne Utrecht: school voor kunstnijverheid

Twee kleine zijvleugels van de Willemskazerne zijn bij de brand in 1877 gespaard gebleven. Het zijn bruikbare gebouwen, maar waarvoor eigenlijk? Het duurt 6 jaar voordat er duidelijkheid komt over de bestemming. In die periode is de Gemeente eigenaar geworden. Wittevrouwenkade 6 wordt de regionale vestiging van het IJkkantoor en Museum voor Kunstnijverheid.


Bij het IJkkantoor ijken ze de gewichten, maten en weegtoestellen die bij de groenteboer, slager, kruidenier en op de markt worden gebruikt. Die toestellen staan ook bij bedrijven, slachthuizen etc, en ook daar worden ze geijkt. Onder leiding van chef van dienst hr. D. Schaap is de benedenverdieping van het pand daarvoor nodig. Met een stempeltje in de gewichten of de toestellen is het ijkmerk terug te vinden. Consumenten en handelaren weten op die manier dat je kunt vertrouwen op de juiste maat. De politie ziet er in die tijd op toe dat de maten en gewichten het merk van de ijkers hebben. Het kantoor verhuist al tien jaar later in 1894. IJken noemen wij nu kalibreren en vindt onder certificering plaats.

De Wittevrouwenkade met het Museum voor Kunstnijverheid circa 1890 (HUA 5036)
In 1884 opent het Museum voor Kunstnijverheid op de bovenverdiepingen van het pand haar tentoonstelling. Daarvoor is dat jaar de vereniging Het Utrechtsch Museum van Kunstnijverheid opgericht die "de aankweeking van kunstzin en de veredeling van den smaak des volks" beoogd. De architect P.J. Houtzagers wordt directeur en blijft dat liefst 37 jaar. Houtzagers heeft als architect zijn sporen ruim verdiend. Ontwerpen van hem zijn sociëteit Sic Semper, de Engelse Kerk aan de Hogendorpstraat, het gemeentehuis te Soest, badhuizen aan het Koekoeksplein, de Kanaalstraat, de Thorbeckelaan en het Willem van Noortplein en herenhuizen aan de Emmalaan, Ramstraat, en enkele panden aan de Nobelstraat.

Het museum past helemaal in die tijd. Er aan verbonden is een avondschool voor het kunstindustrieel vakgebied.
Door de afschaffing van de gilden in het begin van de 19e eeuw is dat vakonderwijs in het slop geraakt. Het is overigens niet de enige reden voor een tekort aan vakkennis. Economische motieven gaan een grotere rol spelen. Het afzetgebied van kunstnijverheidsproducten breidt zich enorm uit, de transportmogelijkheden nemen toe met de nieuw gegraven kanalen en wat later de aanleg van spoorlijnen. Dankzij machinale vervaardiging kan snel en goedkoop geleverd worden voor een steeds toenemende groep afnemers. Concurrentie wordt meer en meer interregionaal en internationaal. Wereldtentoonstellingen bevorderen dit en spreken tot de verbeelding. De tentoonstellingen krijgen op landelijk en lokaal niveau navolging.

Foto van een tentoongesteld interieur in het museum
Het niveau van de Nederlandse kunstnijverheid is bedroevend in relatie tot de concurrentie op wereldniveau. Onder kunstnijverheid vallen uiteenlopende producten als gereedschappen, machines, meubilair, textiel, keukeninrichting etc.. Vakmanschap en vormgeving moet op een hoger niveau komen. In de 19e eeuw is er een algemeen besef dat onderwijs en voorlichting bijdraagt aan een verdere ontwikkeling.

Bovenstaande foto ziet er natuurlijk buitengewoon oubollig uit. Leerlingen in de kunstnijverheid leren o.a. de technieken van het glazuren van aardewerk. In Utrecht en omgeving zijn verschillende aardewerk fabrieken. Fabrieken waarin fraai tegelwerk en aardewerk tot stand komt. Er staat overigens nog zo'n fabriek, Mobach aan de Kanaalweg. Veel van de vaklieden in die vroegere fabrieken zijn opgeleid aan de Wittevrouwenkade.

Tegeltableau van de Fayence-
en Tegelfabriek Holland uit
Utrecht (collectie Gelderland)
Bovenstaande voorbeeld uit de fayencetechniek is één van de te leren vaktechnieken, en een succesvolle. Aardewerk uit Utrecht is rond 1900 een belangrijk exportproduct. Aan het eind van de 19e eeuw wordt het ruimtegebrek van de school opgelost met het gebruik van het hele pand aan de Wittevrouwenkade. Het Museum heeft een voorlichtende functie over de kunstnijverheid. Het richt zich op het algemene en schoolgaande publiek. Het kent aanvankelijk slechts twee openingstijden, op de woensdag- en zondagmiddag. Later is dit verruimd tot zes dagen per week. De school voor kunstnijverheid is al in 1886 aan het museum verbonden voor 16-jarigen en ouder.

In de nieuwe eeuw gaat het redelijk met het museum en de school. Redelijk omdat het gebouw niet helemaal goed voldoet met de te kleine ruimten en daardoor ook de activiteiten enigszins achterblijven. Het museum sluit in 1918. De avondcursus voor 15 leerlingen en de dagcursus voor 8 leerlingen is voor het jaar 1921-1922 doorgegaan. In 1923 stoppen alle activiteiten door een gebrek aan leerlingen en geld. Ook het gebouw heeft al in jaren geen schilderbeurt meer gehad.

Tijdelijk zit van 1923 tot 1924 het bevolkingsregister van de stad Utrecht in het gebouw. Het is het jaar waarin de werkzaamheden van de wijkmeesters overgebracht worden naar het bevolkingsregister. Vervolgens trekt de geneeskundige dienst van de gemeente Utrecht in het gebouw, op de zolder komt Psychotechniek. Later wordt met verbouwingen en aanpassingen de benedenverdieping deel van de meisjesschool. En ook dat is tijdelijk.

.