Waarom Utrecht niet groeide in de Gouden Eeuw




In de Gouden Eeuw groeien vrijwel alle steden. Dat heeft vooral met de handel over zee te maken. Waarom groeit Utrecht niet in de Gouden Eeuw? 

Illustratie van Albo Helm: tokking to me?


Het uitvaren met een schip is een hele onderneming. Wie financiert het schip, betaalt de bemanning en zorgt voor de handelsgoederen? Wie heeft profijt van de grote winsten bij behouden thuiskomst? De VOC heeft vanaf 1602 een monopolie op de handel naar de Oost. Utrechtse ingezetenen kopen aandelen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in de Kamer van Amsterdam. Van de acht zetels in de Kamer van Amsterdam worden er twee bezet door Utrechters. Winsten blijven vele jaren uit door de hoge uitgaven. Grote investeringen brengen wel veel werkgelegenheid in Amsterdam en wijde omgeving. In 1610 keert de VOC het eerste dividend uit, alleen grotendeels in natura (foelie en peper). In 1612 kunnen de aandeelhouders ook nog nootmuskaat aan hun voorraad toevoegen. Na 1623 vindt de uitkering van dividend regelmatiger plaats. Vanaf 1630 gebeurt dit zelfs bijna ieder jaar. De 17e eeuw leidt in Nederland tot groei en bloei. De steden groeien door handelsactiviteiten en industrie. In de 18e eeuw vindt consolidatie plaats. Maar Utrecht is niet meegegroeid in de Gouden Eeuw. Waarom niet?

Nu zijn er twee perioden in de 17e eeuw van de Utrechtse geschiedenis aan te wijzen die de stagnatie van de stad voor een deel verklaren. De gebeurtenissen in die perioden veroorzaken dat Utrecht zich niet ontwikkelt als bijvoorbeeld Amsterdam met haar handel, of zoals Leiden of de Zaanstreek met haar industrie. De bevolking van Utrecht blijft ongeveer 30.000 inwoners en groeit pas in de 19e eeuw. Maar wat speelt er in Utrecht in die perioden? De gebeurtenissen worden verweven met verhalen over de bewoners van het Ridderschapkwartier.

Van Drielenburch woont van 1600 tot 1610 op Plompetorengracht 15A. De oude bebouwing op die plek is circa 1815 gesloopt. Van Drielenburch komt uit een bekende Utrechtse goudsmedenfamilie. Hij is als notabele actief in het openbaar bestuur, hij wordt zelfs rentmeester en schepen van Utrecht. Hij overlijdt in 1610. De familie is rijk en zijn broer Willem Vincent bepaalt dat bij bij zijn overlijden zijn kapitaal in een fundatie beheerd moet worden voor de minder rijke familieleden. Hij en zijn vrouw hebben geen kinderen, het nageslacht van zijn broer en twee zussen profiteren. Bij de fundatiestichting heeft hij met nadruk vastgelegd dat de leden van de familie zonder onderscheid van hun godsdienstige opvattingen gelijkelijk mogen genieten, met uitsluiting evenwel van diegenen die een liederlijk bestaan voeren of zich op andere wijze hoogst onbetamelijk gedragen. Het beheer moet gevoerd werden door de aanzienlijkste, eerlijkste en bekwaamste van elk van de betreffende families van zijn broer en zussen. Bij toerbeurt zullen zij elk drie jaar achtereen de goederen beheren. Hun oom Willem Vincent overlijdt in 1618. De door oom aangewezen eerste bestuurders van de fundatie zijn: neef Vincent Anthonis van Drielenburch en de aangetrouwde neven Hendrik Wouters Schoormond en Anthonis van Dalen. Maar zover is het nog niet, het is 1613. Vincent Antonis is de zoon van Van Drielenburch van de Plompetorengracht. Vincent is in 1885 geboren. Hij woonde nog op de Plompetorengracht, maar is rechten gaan studeren in Leiden. Na zijn studie komt hij terug in Utrecht en wordt rentmeester van de St. Paulusabdij. Van 1611 tot 1613 is hij tevens rentmeester van het Wittevrouwenklooster. Die goede positie heeft hij eind 1613 volledig verspeeld. Wat is daarvan de oorzaak?

Vincent van Drielenburch in 1618 oud 33 jaar
Het is in die jaren een roerige tijd in de stad. Remonstranten en contraremonstranten strijden met elkaar over het ware geloof, als vervanger van het katholieke. In Utrecht drijft bestuurder Gilles van Leedenberch deze strijd op de spits. Hij is secretaris van de Staten in Utrecht en geniet bescherming van stadhouder Van Oldenbarnevelt. Van Leedenberch ontpopt zich tot de grote belangenbehartiger van de Utrechtse adel. Door het slim manipuleren met zijn belangen in diverse aangelegenheden, onder andere door patronage, verzekert hij zich niet alleen van steun in de Staten van Utrecht. Zijn invloed reikt zich ook uit tot in het bestuur van de stad Utrecht. In 1598, 1606 en 1610 beteugelt hij politieke oproeren in de stad. Vanaf 1610 is het ook Van Ledenberg die de Utrechtse kerk streng in de leer houdt. Van Leedenberch dwingt daarbij op doeltreffende wijze fiscale, religieuze en politieke gehoorzaamheid af. Dat hij daarbij onappetijtelijke methoden hanteert, ziet Van Oldenbarnevelt door de vingers.

Vincent Antonis van Drielenburch heeft in 1613 in een schotschrift Van Leedenberch als de ‘paus van Utrecht’ betiteld, een grote belediging voor een remonstrant. Het leidt in november van dat jaar tot de verbanning van de pamfletschrijver. Maar wat in Utrecht niet mag, kan in Amsterdam wel. Reageren gebeurt vaak anoniem. Vincent doet het niet anoniem. De uit Utrecht verbannen contraremonstrant ageert met druksels vanuit de hoofdstad. Hij belastert stadhouder Van Oldenbarnevelt, de remonstrantse predikanten, spaart uiteraard Van Leedenberch niet en reageert op elk incident. Men neemt hem niet heel serieus, maar zijn pamfletten worden door de remonstranten gevaarlijk gevonden. Hij is het zwarte schaap voor de familie in Utrecht: ze betitelen Vincent als een gestoorde contraremonstrant en proberen hem zelfs krankzinnig te verklaren. Zijn bijtende schotschriften en in ongetemde haat gedoopte pen tegen de remonstranten doet dat ook vermoeden. Na 1617 laat hij niet meer in deze zin van zich horen. Desondanks is hij in 1618 door zijn oom in het bestuur van de fundatie benoemd. Hij overlijdt in 1665.

Wat gebeurt er na 1613 in Utrecht? De bevolking van de stad laat zich niet helemaal knechten. Van Leedenberch zet zelfs waardgelders in om onlusten in de stad de kop in te drukken. De waardgelders zijn de door de stad Utrecht ingehuurde soldaten. Met name de groeiende middenstand in Utrecht is daarvan het slachtoffer. De lucratievere baantjes en vergunningen om zaken te doen gaan aan hun neus voorbij, omdat de vrienden van Van Leedenberch voor gaan. Ook zien de burgers hun pogingen tot deelname aan het bestuur van de stad gedwarsboomd door Van Leedenberch en consorten. In 1618 vindt de grote ommekeer plaats. Utrecht wordt ingenomen door Prins Maurits met zijn Staatse leger. Maurits zet Van Leedenberch af als secretaris van de Staten van Utrecht. Ook het afdanken van de waardgelders vindt in dat jaar plaats. Van Leedenberch zette ze in tegen de eigen bevolking!

Joost Cornelis Droochsloot: het afdanken der waardgelders
door prins Maurits op de Neude te Utrecht, 31 juli 1618 (1625)
Utrecht is niet de enige plaats waar Maurits ingrijpt. Oldenbarnevelt, De Groot en Hoogerbeets zijn op 28 augustus 1618 op last van de Staten-Generaal gevangen genomen. Gelijktijdig gaat een bevel naar Utrecht om Gillis van Leedenberch in zijn eigen huis gevangen te houden. Dag en nacht wordt hij bewaakt door acht soldaten. Daar blijft hij tot 16 september, die avond brengen 25 musketiers van de compagnie van graaf Ernst van Nassau hem over naar de Plompetoren. Vervolgens wordt hij per vaartuig onder militair geleide naar Den Haag vervoerd. In het Hof, waar ook de andere heren gevangen zitten, worden de verhoren voortgezet. Tot de 70-jarige Van Leedenberch er in de nacht van 28 op 29 september door zelfmoord een einde aan maakt. Al zijn goederen worden door de Staat geconfisqueerd.

Het klimaat dat Van Leedenberch in de stad Utrecht heeft veroorzaakt, is jarenlang niet goed voor de zaken geweest. Utrecht is geen vrije stad zoals Amsterdam. Je hoort erbij of je hoort er niet bij. Een dergelijk vestigingsklimaat stoot af in plaats van investeerders en ondernemers aan te trekken. De Gouden Eeuw is echter nog niet voorbij, het kan nog goed komen. Waarom gebeurt dat niet in Utrecht?

De tweede periode hangt samen met de oprichting van de Universiteit in Utrecht. De Universiteit zouden we nu zeggen, is aarzelend tot stand gekomen. Het begint als Hoogeschool, die vooral een opleiding voor theologie moest worden. Pas in 1634 is het zover. Tot hoogleraar in de theologie is Gisbertus Voetius aangesteld en Antonius Memilius voor de filosofie. De vacature in het recht wordt vervuld door Antonius Matthaeus. De vierde studierichting, medicijnen, staat onder leiding van hoogleraar Willem van Straten. Voetius drukt zijn stempel op de school en de stad.

Voetius heeft veel aanhangers, de Voetianen. Zij hangen een orthodoxe leer aan, conform Aristoteles en zijn tijdgenoten door analyse van hun geschriften en documenten (tot in de 19e eeuw normaal). Wetenschap heeft haar oorsprong in het geloof, alleen welk geloof? De erg precieze Voetius zet bij vele kwesties in de stad de zaak theologisch op scherp. Met alle mogelijke middelen bestrijdt hij de tegenstanders van de gereformeerde rechtzinnigheid. De volgende gebeurtenis illustreert zijn invloed op het doen van zaken. Het is historie van een andere bewoner uit het Ridderschapkwartier.

De familie Krieckx is een bekende bankiersfamilie. Het familiehuis staat aan de Plompetorengracht. Zoon Justus Krieckx studeert rechten aan de nieuwe universiteit. In 1636 wil hij promoveren, maar zijn promotie wordt geblokkeerd met een veto van Voetius! Een zoon van een tafelhouder (bankier), één die rente vraagt op geleend geld, verdiend geen academische titel. Justus zou uit het bedrijf stappen, maar dat is niet voldoende. Krieckx is van de weeromstuit gepromoveerd in Leiden, wat overigens ook weer de toorn van Voetius opwekt. Het al of niet toestaan van het tafelhouderschap blijft in de jaren 1636-1658 een dispuut tussen Krieckx en Voetius. Beiden brengen hun argumenten tegenover elkaar in druk uit. Pas in het jaar 1658 komt er een eerste doorbraak in deze kwestie: door de Staten van Holland en Gelderland wordt per decreet het tafelhouderschap een zaak van de regering genoemd. Kerkelijk leiders krijgen daar in dat decreet opgelegd erover te zwijgen.

Justus Krieckx op latere leeftijd, een welvarend bankier
Geschilderd in 1666 door Nicolaas Maes, Museum van Fine Arts Boedapest.
Het is al die tijd voor zakenlieden en ondernemers in Utrecht een bedenkelijke zaak gebruik te maken van leningen tegen rente. Terwijl juist de gemakkelijke toegang tot leningen een voorwaarde is voor het ondernemingsklimaat. Utrecht heeft er zonder twijfel schade door geleden. De Gouden Eeuw is inmiddels voorbij, de stad Utrecht is niet gegroeid.

Maar ook de familie Voetius heeft in het Ridderschapkwartier sporen achtergelaten. In 1656 bestaat het gezelschap van hoogleraren uit theoloog Gisbertus Voetius, de medici Henricus Regius en Daniël Voet, de jurist Paulus Voet en de letterkundige Johannes Leusden. Daniël en Paulus zijn beiden zonen van Gisbertus Voetius, recht in de leer opgevoed en voorzien van een goed verstand, uiteraard behorend tot de Voetianen. Op 20 december 1652 is Daniël door de Utrechtse vroedschap aangenomen als professor. Hij hoeft maar een paar colleges per jaar te geven en de studenten te begeleiden bij hun honger naar kennis. Daniël Voet heeft het vermogen om zaken in korte en duidelijke woorden uit te kunnen leggen. Dat is nog immer een bijzondere gave voor een hoogleraar. Ook voor de bijverdiensten, het houden van lezingen, is dat geen slechte eigenschap.

Daniël Voet komt echter op jonge leeftijd te overlijden. Zijn plechtige academische begrafenis in 1660 wordt ingeluid met vele Latijnse woorden, zoals gebruikelijk in die tijd in academische kringen. In 1671 koopt weduwe Wijnanda Voet-Junius het nieuw gebouwde huis Ridderschapstraat 1 van timmerman Schade, elf jaar na het overlijden van haar man Daniël. Zij blijft tot haar overlijden in 1689 in het huis wonen. Dat huis is overigens in 1706 gesloopt. De daaropvolgende nieuwbouw wordt in 1911 vervangen door het huidige garagepand.

.