Joodse eigendommen in en na de oorlog

In 1918 wordt het pand Ridderschapstraat 22 als belegging gekocht door de heer M.J. Schaap, goudsmid en juwelier met zijn zaak op de Steenweg 63. Na zijn overlijden komt het in het bezit van zijn jongste dochter Esstella Schaap.


In het kadaster staat genoteerd dat Esstella Schaap gehuwd is met Alfred Krankenheim. De in Duitsland geboren Krankenheim wil echter niet meer aan zijn geboorteland herinnerd worden, hij verandert zijn naam in Frankenhuis. De familie heeft er alle reden toe. Zij behoren tot de joodse gemeenschap. Dat is er de oorzaak van dat hun bezittingen in 1943 door de Duitse autoriteit worden onteigend. Het eigendom in de Ridderschapstraat wordt overgeschreven op naam van Johann Wöhlken, een voormalig stukadoor uit Duitsland. Die verkoopt het in hetzelfde jaar door aan een ambtenaar van de gemeente Utrecht. Het huis, een beneden- en bovenwoning, blijft verhuurd.

In de Tweede Wereldoorlog worden meer dan 1.000 Joden uit Utrecht gedeporteerd en omgebracht. De eigendommen vervallen aan de bezettende macht. Na de oorlog reageert Nederland met weinig begrip op de Joden die de oorlog hebben overleeft. Het duurt tot 1951 voordat het onteigende pand Ridderschapstraat 22 weer op naam komt van het echtpaar Frankenhuis-Schaap. Zes jaar heeft het moeten duren! In hetzelfde jaar verkoopt zij het huis aan HBS de Munnik Plompetorengracht 9.

Ridderschapstraat 22 in Utrecht, een recente foto
Utrecht heeft lange tijd een ambivalente houding gehad ten opzichte van de Joden. In het boek ‘Jodenvervolging in de Stad Utrecht’ uit 1985 beschrijft C. van Dam deze historie. Joodse bewoners vestigen zich al vroeg in de stad, net als overal anders in het land grotendeels rechteloos. Bij elkaar wonend in een aangewezen stukje bij de Bakkersbrug zijn ze al drie maal de stad uitgewezen, net na de pestepidemie in 1350, in 1444 voor eeuwig door de Aartsbisschop en in 1546 door de inquisitie van keizer Karel V. Daarna is het niet veel beter.

Utrecht is als handelscentrum echter een aantrekkelijke plaats. Overdag handel drijven mag, maar tot in de 18e eeuw blijft het vrijwel onmogelijk om als jood te gaan wonen in de stad. De uitwijkplaats is Maarssen. Slechts enkele Hoogduitse joden verwerven in 1708 het stadsrecht. Een uitzondering is er ook voor rijke Portugese joden, veelal afkomstig uit Amsterdam, zoals Machado. In 1720 worden de eerste synagogediensten gehouden in het huis van deze schatrijke Jacob Hiskia Machado in zijn huis op de hoek Plompetorengracht - Van Asch van Wijckskade.

Pas gedurende de Bataafse omwenteling in 1795 worden allerlei restricties opgeheven, waaronder de vestigingsbeperkingen. De Joodse gemeenschap in Utrecht groeit van 350 bewoners in 1809 naar 1221 inwoners in 1930. De 19e eeuw is de eeuw van de emancipatie. De grondwet, het kiesrecht, het eigendomsrecht, vrije keuze van godsdienst: het is er voor burgers van alle geloofsrichtingen. De 19e eeuw is overigens ook een eeuw waarin het antisemitisme blijft voortbestaan en zich uit in allerlei vooroordelen, misplaatste grappen en discriminatie. Handelaren gaan zich vestigen in de stad, zoals juwelier Schaap en op Plompetorengracht 15A de familie Elzas.

Het pand Ridderschapstraat 22 is in de 19e eeuw nog onverbrekelijk verbonden met Molenstraat 19. De gezamenlijke achterplaats is de verbinding. Met een bouwplan uit 1884 is de hele oorspronkelijke hoek Molenstraat – Ridderschapstraat vernieuwd. Ridderschapstraat 22 blijft dan nog staan. In 1901 wordt het gesloopt en nieuw gebouwd als beneden- en bovenwoning. Mozes Joël Schaap koopt het huis in 1918. Na de HBS zijn de Universiteit, de gemeente en Mitros eigenaar. Het is Mitros die het huis in 2011 heeft verkocht aan een eigenaar/bewoner.

.