De wijkindeling van Utrecht - van Bloedkuyl tot Ridderschapkwartier

Stadsverdediging, bolwerken en stadsmuren: de stad is een veilige plek, de omgeving niet! De verdediging van de 28.000 inwoners tellende stad kent perioden met een eigen huurleger, perioden met een eigen schutterij en uiteindelijk financiert zij het Staatse Leger. De schutterij draagt buurtvaandels met mooie namen.


Stadhouder prins Maurits schaft in 1618 de door de stad aangestelde waardgelders (huursoldaten) af. Maar deze reorganisatie van de verdediging is onvoldoende voor de stad. Na afloop van het Twaalfjarig Bestand in 1621 begint een nieuwe fase. De gilden regelen opnieuw de verdediging van de stad. Elk gilde heeft zijn eigen schutterij. Deze schutterijen blijven verantwoordelijk voor een eigen stadsdeel, het stadsdeel dat al in 1587 aan het oude gilde was toegewezen.

De schutterij heeft verschillende vendels met mooie namen, zoals de ‘Bloedkuyl’ voor de noordoostelijke stadswijk. Elk vendel staat onder leiding van enkele leden van de vroedschap die tot kapitein benoemd zijn. In situaties van een alarm hebben ze hun eigen plaats van samenkomst, mogelijk in de wijk van de Bloedkuyl het grote slachthuis aan de Voorstraat. De vendels uit Utrecht helpen ook het land verdedigen, zij doen dat bijvoorbeeld in de garnizoensplaatsen Doesburg en Zutphen.

Wijkindeling van de stad Utrecht van 1587 tot na 1813
De Spaanse troepen zitten niet stil, met diverse invallen in het land plunderen ze veel. Na 1629 ontstaat er een dieptepunt in de toestand van het land. De plunderingen en verwoestingen in Gelderland en zuidelijker gebieden zorgen voor hongersnood en de uitbraak van besmettelijke ziekten. Vooral tyfus, dysenterie en de pest maken veel slachtoffers. De bevolking in Utrecht loopt in die tijd met 15% terug tot onder de 30.000 bewoners. Pas in de jaren 1630 keert het tij. De Spanjaarden houden zich gedeisd. Hun vijandelijkheid bij ons neemt af, omdat ze in andere oorlogen betrokken raken. De stad Utrecht groeit weer. Tot het Rampjaar 1672 groeit de stad tot 33.000 inwoners om dan weer af te nemen.

De indeling van de wijken blijft erg lang onveranderd. In 1795 volgt een kleine aanpassing van wijknamen als de orangisten het bestuur van het land verloren hebben van de patriotten. Pas in de periode 1809-1813 wordt met de Fransen in het land de wijkindeling iets aangepast: er komen wijken buiten de singels bij en de namen worden vervangen door letters. De Bloedkuyl wordt wijk H en elk huis krijgt een eigen nummer. De naamswijziging is handig, probeer Bloedkuyl maar eens op z’n Frans uit te spreken. De wijk blijft tot in de 20e eeuw wijk H heten.

Bloedkuyl verdwijnt tenslotte ook in de volksmond, net als overigens Turkije, Zwarte Knechten of Pekstokken. Wijk H is in de loop van de 20e eeuw de Breedstraatbuurt geworden, ook wel Breedstraatbuurt en Plompetorengracht. Een klein deel daarvan heet sinds enkele jaren Ridderschapkwartier. De laatste naam maakt gebruik van de huidige vermarkting van de stad, met namen als Museumkwartier, Maliekwartier en Universiteitskwartier (Whats in a name . . .).

Meer over het Ridderschapkwartier is te vinden onder de linken naar:
Ridderschapkwartier: bewoners en leefbaarheid
Ridderschapkwartier in cijfers

.