Beeldhouwwerken en begroeiing aan de gracht

Aangelegd als een luxe woongracht vormt de Nieuwe Gracht, de Drift en de Plompetorengracht één doorgaand geheel. De veiligheidssituatie maakte het vanzelfsprekend om het particuliere bezit te ommuren en van afsluitbare toegangspoorten te voorzien. 

De vermoedelijk periode van aanleg van de gracht is tussen 1300 en 1400. Langs de gracht zijn huizen met hofsteden gebouwd. De grond grenst aan het Wittevrouwenklooster en de eigenaren betalen daaraan een soort erfpacht. Het gebied rond de Molenstraat is in gebruik bij het klooster. De gouden eeuw laat ook zijn sporen in Utrecht achter. Veel van de huizen worden tussen 1550 en 1650 herbouwd of volledig afgebroken en met een andere indeling van de kavel ruimer opgezet. En de huizen worden herbouwd in het minder brandbare baksteen.

Bij de huizen hoort de gracht en ze zijn er letterlijk mee verbonden door de straatkelders – de kluizen. De Plompetorengracht moet het overigens net als de Drift doen zonder de voor Utrecht kenmerkende werven. De al aan weerszijden staande bebouwing heeft deze ruime aanleg waarschijnlijk voorkomen. De kluismuren zijn aangekleed met fraai vormgegeven hekwerken en gevelstenen.

Op de tekening van P.J. Lutgers uit 1843 zijn de panden 
Plompetorengracht 1 t/m 7 uit deze tweede bouwperiode
Op diverse plaatsen zijn langs de Plompetorengracht consoles van de beeldhouwster Jeanot Bürgi aangebracht. Zij beelden verschillende middeleeuwse beroepen uit, zoals bijlhouwers, boterlieden, brouwers, zakkendragers, wantsnijders, louwers, corduaniers, smeden, steenbikkers en visverkopers. Heel toepasselijk is in 1974 ter hoogte van de Molenstraat een console voor de lantaarn met een molenaar aangebracht:

Consoles, ontwerp Jeanot Bürgi
De Gemeente is al sinds de vijftiger jaren actief met het herstel van ingevallen werfmuren en kademuren. Tot 1978 blijft dit beperkt tot de meest ingevallen exemplaren. Bij de restauratie worden steeds op zorgvuldige wijze de ornamenten, spuwers, gemetselde bogen etc. teruggebracht, er is veel aandacht voor de bouwhistorische kwaliteit.
Als in de zeventiger jaren wordt besloten tot een algehele grootschalige restauratie. Dan dreigt een gevaar: de ondergang van alle bijzondere begroeiingen. Op het stenige oppervlak komt plantengroei van de meest zeldzame exemplaren voor. Zij gedijen er met de geringe mogelijkheden voor wortels en in het barre klimaat. Overdag in de zon en s’ nachts sterk afkoelend maakt het een onherbergzaam gebied. De vochtigheid van de muur bepaalt in veel gevallen of er planten kunnen groeien.

Het zijn muurmossen, muurvarens en het muurleeuwenbekje die in dit klimaat gedijen.

Verdwenen begroeiing aan de Plompetorengracht
Op de meeste plaatsen wint de wens voor een stevige, droge en duurzame kluismuur het van de hobby tuinmuur. De uitzonderlijke begroeiing op bovenstaande foto is nu te vinden op nieuw gerealiseerde kademuren langs de Grift in het Griftpark: het heeft geen eigenaren die warme droge kluizen wensen. Aan de Plompetorengracht is maaien niet meer nodig. De begroeiing moet het wel doen zonder de eeuwenlange bemesting. Nog niet zo lang geleden is de gracht pas echt schoon geworden door alle panden op het riool aan te sluiten.

Voor wie meer geïnteresseerd is in de beeldhouwwerken langs de gracht, op Wikipedia staat een uitgebreid overzicht met o.a. de consoles aan de Plompetorengracht. In 2013 is het boekje 'de lantaarn spreekt,' wandel- en vaarroutes langs de consoles aan de Utrechtse grachten verschenen. De vereniging Oud Utrecht heeft het in het kader van haar 90-jarig bestaan uitgegeven.

Bij dit stuk heb ik gebruik gemaakt van het boek dat Christanne Booren in 1982 van haar afstudeerwerk voor Biologie heeft mogen maken: “Een steenhard bestaan, zeldzame muurbegroeiing langs Utrechts grachten”.
.