Werkgelegenheid in de 19e eeuw: huispersoneel

Nederland heeft al in oude tijden een reputatie op het gebied van properheid, geboende stoepen en glanzende grote ramen. Er wordt wel gedacht dat dit komt door de hygiëne van de veelal boerenmeisjes die voor de dames in de stad werken. 


Maar de hygiëne is op de boerderijen niet zo geweldig in de 19e eeuw. De Hollandse boter wordt in de loop van deze eeuw onverkoopbaar door de ranzige kwaliteit: zeggen de Denen met hun boter op de concurrerende Engelse markt. Properheid is de mores van de gegoede klasse in Nederland: ze steken elkaar de loef af met hun deftigheid en praalzucht. Het bezit moet voortdurend opgepoetst te pronk staan, ook in het huis mag het gezien worden, de ramen bieden een ruime inkijk. Het hele land begint het geleidelijk als teken van goed gedrag te zien om er netjes bij te staan, en je gaat over de tong als het niet zo is.

Plompetorengracht 21, foto uit 1991 (HUA 68874)
Het veroorzaakt een enorme schare aan werkgelegenheid voor dienstmeisjes, keukenmeiden en huishoudelijke hulpen. Als voorbeeld Plompetorengracht 21. Het is het woonadres voor eigenaar en personeel: bij elkaar in één huis. In 1824 wonen er mevrouw Marca van der Pouw, rentenierster op haar 71e met Petra van Klinkenberg als dienstmaagd, in 1840 de dames Martens met Christina de Groot en Maria van Maanen als dienstmeiden en in 1880 het echtpaar Tiele, hij is bibliothecaris van de Universiteitsbibliotheek, met dienstbode, en lange tijd mevrouw Lith de Jeude-de Roo met haar schoonzuster en een dienstbode.

Je hoort er pas bij als in de huishouding een meisje (een deel van) het werk uit handen neemt. Nu is er ook veel werk in huis: wassen, inmaken, naaien, herstellen en verstellen van kleren, ramen wassen, opvoeden van de kinderen, elke dag zelf koken, stoepen schrobben, onderhoud van de moestuin: alles zonder onderbreking handwerk.

In het kwartier zijn beide kanten van de arbeidsrelatie in ruime mate aanwezig: de werkgeefsters en werkneemsters. In de Wittevrouwenstraat en de Plompetorengracht is er bijna geen huis zonder personeel. De taken voor de meiden verschuiven in de loop van de tijd: in 1820 heten ze zonder uitzondering dienstmaagd. Bij rijke families zijn er al gauw 2 tot 5 in dienst met alle andere personeelsleden zoals huisknecht, koetsier, palfenier e.d.. In hele rijke huishoudens wordt onderscheid gemaakt in dienstmaagden, linnenmeisjes, keukenmeiden e.d. In 1900 worden ze bijna allemaal dienstbode of dienstmeisje genoemd, naast de kinderjuffrouwen, gouvernantes, huishoudster, en de mannelijke collega’s. Dienstmaagden of dienstbodes, het maakt niet uit maar ze komen bijna allen uit dorpen uit een wijde omgeving rond Utrecht.

Ridderschapstraat 2, foto uit 1988 (HUA 69453)
Een tweede voorbeeld is Ridderschapstraat 2. In 1880 wordt dit huis bewoond door 3 huishoudens: de familie Spee met dochter, hij is koetsier, de familie Schouten met een inwonende nicht, hij is boekdrukker en zij is modiste, en de familie Winsheim, zij zijn op leeftijd en rentenieren, met voldoende geld om onderhouden te worden door 2 dienstbodes. De handwas kan overigens uitbesteed worden aan de verschillende wasserijen in de buurt.

Als particulier een meisje voor de huishouding in dienst hebben, blijft heel lang heel gewoon. Pas zo rond 1970-1980 wordt een fulltime hulp in de huishouding voor bijna iedereen onbetaalbaar. Met zijn allen gaan we een welvaartsperiode in, door verhoging van de arbeidsproductiviteit ingezet. Het in dienst hebben van personeel wordt duurder gemaakt om de in Nederland lonende arbeid van hoogwaardiger kwaliteit te maken, dat brengt meer toegevoegde waarde. De verhoogde kostprijs komt terug bij de personeelsleden in de vorm van werknemers-verzekeringen en pensioen. Het nut daarvan is voor werknemers ook direct meetbaar: het werk levert een groter inkomen op en meer inkomenszekerheid. En dit werkt, onze welvaartsgroei wordt ongekend. Dit knelt wel bij werk waar menselijke aandacht nodig blijft. Onder anderen de thuiszorg en de schoonmaakbranche worden het kind van de rekening van de duurdere arbeid: het persoonlijke wordt uit de taakstelling gehaald en de vergoeding op minimum niveau.

Nederland is nog steeds een proper land. Met de uitvinding van de stofzuiger, na de lamp en de radio het derde apparaat voor het stopcontact, gaat de verkoop nergens zo snel als in Nederland. Inmiddels komen we om in de elektrische hulpen, onze kleren gaan bijvoorbeeld al vaak na een dag in de was: het werk in het huishouden blijft.

Maar zo kan het wel weer, terug naar het Ridderschapkwartier.

.