Gas van de gasfabriek: betrouwbare verlichting

 

Openbare verlichting is tot in de 19e eeuw een eenvoudige muurolielamp zoals deze uit 1830. De lichtopbrengst is met een kapje erom iets meer licht dan de maan, en iets is dan beter dan niets. Een enkele olielantaarn slaat zijn zwakke schijnsel op de straat.



In Engeland wordt nieuw licht uitgevonden, het zogenaamde gaslicht. Een omschrijving van wat dat is: op sommige plaatsen wordt een groot vuur aangelegd om steenkolen te verhitten, de damp van de verhitte steenkolen wordt afgevoerd door buizen onder de grond en tot in de huizen gebracht. Dit gas wordt ontstoken in een lamp en geeft bij verbranding een helder wit licht. Er zit wel een gevaar aan dit gas: het is bijna geurloos en je gaat eraan dood bij het teveel inademen! Daarnaast is het natuurlijk erg brandbaar. In 1820 zijn de mogelijkheden voor gasverlichting al duidelijk, maar het duurt tot 1841 voordat in Utrecht een gasfabriek wordt gebouwd.
De gaslantaarn op het Vredenburg 
heeft zelfs overdag toeschouwers. 

De fabriek van W.H. de Heus staat aan de Catharijnesingel en is in 1842 geopend (In 2012 is de bouw van TivoliVredenburg vertraagd door aangetroffen grondverontreiniging). De openbare verlichting in de stad gaat over op door hem geleverd gas. Tot een vroege afnemer behoort ook de gevangenis Wolvenburg, zij krijgt al een aansluiting bij de opening in 1855. Werken op de cel kan in de winter bij gasverlichting. In 1859 besluit de Utrechtse Raad om een Gemeentelijk Gasbedrijf op te richten. Vlak bij ons in de buurt staat die gasfabriek, aan de overzijde van de singel aan de Blauwkapelseweg. Een heel nieuwe beroepsgroep van gasfitters ontstaat. De fabriek wordt pas in 1975 gesloopt en in de periode 1994-1999 omgebouwd tot Griftpark. Het werken in de fabriek is zwaar en in een ongezonde omgeving.

Lang niet elke burger heeft toegang tot de luxe gasverlichting. Olielampen en kaarsen blijven nog lang zwak schijnen en walmen. Pas in 1895 wordt de toegang tot gas iets algemener als de eerste gasmeters op muntjes geïnstalleerd worden en er lampen met kousjes komen waardoor het licht getemperd kan worden. Fors wordt er geïnvesteerd in een buizennet voor vervoer van het gas en in allerlei straten komt openbare verlichting en kunnen de huizen gas afnemen voor verlichting in de huizen en winkeliers voor de etalage.

Wiitevrouwensingel: de gasfabriek in 1923
Nieuwe huizen worden allemaal voorzien van stalen buizen voor de gasverlichting. Het is voor veel mensen met een vak aan huis een zegen: denk aan de winkeliers voor het verlichten van hun etalage en verkoopruimte, maar ook de naaisters en kleermakers, de administratieve bezigheden van verzekeringsmakelaars, de sigarenmakers etc..

Gasfabrieken: van kolen links, naar gas in de houder rechts
En op straat? In oktober 1895 worden aan de Wittevrouwensingel proeven genomen met gasgloeilicht als straatverlichting. Nadat gebleken is dat zelfs bij storm en regen de verlichting stand houdt, is op 16 november 1894 het gloeilicht toegepast op de Voorstraat en de Wittevrouwenstraat. De tijd zal dan nog moeten leren of uitbreiding in andere druk bezochte straten vruchtdragend is!

In de loop der jaren bestaat de straatverlichting in het Ridderschapkwartier uit maar liefst 9 gaslantaarns: 3 aan de Wittevrouwenstraat, 3 aan de Plompetorengracht, in de Molenstraat en Ridderschapstraat elk één en op het Wolvenplein bij de gevangenis. Gas krijgt al vanaf 1880 concurrentie van elektriciteit, al gaat dat ook heel geleidelijk, zeker voor verlichting blijft gas nog lang een rol spelen.

De uit ca. 1875 daterende gietijzeren gaslantaarns zijn weer terug aan de Plompetorengracht. De lantaarns hebben een plaats op de bovenzijde van de kluismuur, met een aangepaste lampenkap voor de elektrische verlichting ontworpen door Pyke Koch. Gebeeldhouwde consoles dragen de in de jaren zeventig van de 19e eeuw aangebrachte lantaarns. Naast openbare verlichting zijn de eerste afnemers de winkels en de beroepen waarvoor veel licht nodig is, zoals de kleermakers en modistes.

.