Pedaalridders in het Ridderschapkwartier: Anton Immink en Pieter van Appel

Twee Utrechtse renners, Anton Immink en Pieter van Appel, worden inwoners van het Ridderschapkwartier. Alsof Jan Raas en Joop Zoetemelk naast elkaar gaan wonen. 


Een artikel van Wim Zonneveld 
 
Antonius Gerardus Immink (1870-1947) en Pieter Gerrit van Appel jr. (1870-1940) zijn allebei in hetzelfde jaar in Utrecht geboren. Zij komen elkaar tegen in de wielersport en worden daarna buurmannen.

Anton Immink heeft vanaf 1896 een smederij aan de Wittevrouwenstraat 5, maar verhuist in 1904 naar het hoekpand Ridderschapstraat 1-3. Dat pand laat hij verbouwen tot een garage voor rijwiel- en autoreparatie, fabricage van het fietsenmerk Favoriet en zijn autofabriek Chaumont. Enkele jaren later zijn beide panden volledig vernieuwd. Hij exploiteert tevens een zelf gebouwde ziekenwagen, voor modern vervoer van ongevallen naar één van de ziekenhuizen in de stad. Vervolgens heeft hij ook nog tijd voor het exploiteren van een busverbinding tussen Utrecht en Vianen. In 1917 verkoopt hij het bedrijf en begint ‘Constructiewerkplaatsen Orno‘ in Zeist, waar hij alweer in 1920 afscheid neemt als directeur. Immink trekt naar het oosten, waar hij zich vanaf 1933 met ‘Metaalbedrijf Imco’ in Hengelo specialiseert in trommelremmen; hij overlijdt in 1947.

Pieter van Appel verhuist met zijn gezin in 1907 naar Wittevrouwenstraat 30, met zijn vrouw Catharina Elisabeth en hun zoontje en dochter. Ze zijn inwonend bij vader Pieter Gerrit van Appel. Vader koopt het pand enkele jaren later van vishandelaar Albert Th. Engelman. Hij is broer van Cornelis Johannes ‘Kees’ Engelman die in 1896 kleine pandjes heeft laten verbouwen tot een grote viswinkel op Vismarkt 13, sinds 1973 restaurant Graaf Floris. Zoon Pieter van Appel vestigt op de Wittevrouwenstraat een kantoor van Verzekeringsmij. ‘L’Union Ao. 1828 de Paris’. Daarmee heeft Wittevrouwenstraat 30 wederom een verzekeringsman in het huis, na bewoning van 1863 tot 1903 door de familie Bol, medeoprichter van 'De Utrecht'. Tot zijn overlijden in 1940 blijft Van Appel kantoorhouder op dit adres voor ‘L’Union Ao. 1828 de Paris’.

Utrecht had eind negentiende eeuw zowel kortstondig een mooie wielerbaan aan de oostkant van de stad, in ‘het sportpark van Moerkoert’ bij de huidige Prins Hendriklaan, als een aantal uitstekende wielrenners, waaronder deze twee mannen. Anton Immink is meer een wegrenner is en Pieter van Appel voelt zich meer thuis op de baan, maar zij zijn ook regelmatig te vinden als deelnemers aan dezelfde wedstrijden. Bijna buren zijn ze pas na hun sportcarrières, menig boom zullen ze over hun carrières in de wielersport hebben opgezet. Die twee ‘pedaalridders’ in het Ridderschapkwartier, wat deden ze in de wielerwereld? De eerste berichten over Anton Immink als wielrenner wijzen erop dat hij al vroeg geïnteresseerd is in de technische kant van de sport.
Utrechtsche Sportterrein bij het Hogelandse Park - winter 1895 een ijsbaan, in de zomer was het een wielerbaan HUA818411
Immink debuteert in augustus 1889 als 19-jarige met een vierde plaats in de wegwedstrijd Amersfoort−Apeldoorn over 25 km, een propagandarace voor Engelse ‘Coventry’-rijwielen. In de ledenlijst van de ANWB is zijn adres dan Tiendstraat 33 in Pijlsweerd. Begin november 1891 haalt Anton zelfs de landelijke pers als pacemaker bij een 24 uursrit door Nederland van D.J. (Doede) du Saar, een domineeszoon uit Nieuw-Loosdrecht. Niet alleen moet Anton hem begeleiden in Midden-Nederland, maar hij staat ook zijn eigen rijwiel af als Du Saar in de afdaling van een heuvel bij Apeldoorn zwaar ten val komt. Uiteindelijk volbrengt De Saar in 21 1⁄2 uur de rit van 329 km, waarmee hij een zilveren bondsmedaille verdient. In het voorjaar 1894 beginnen de twee Utrechters aan serieuze wielercarrières. Al in februari wordt Van Appel winnaar in de wegwedstrijd Gouda – Nieuwerkerk over 20 km, daarna volgt op 31 maart een vierde plaats in Zutphen – Velp over 50 km. Een veelbelovend begin. Eerste en Tweede Pinksterdag van dat jaar zijn ze allebei in de weer. Pieter wordt in de stromende regen derde in de langeafstandsrit Utrecht – Arnhem v.v. over 130 km, in 5 uur 51 minuten, gemiddeld zo’n 22 km/uur. Een dag later wint Anton een clubwedstrijd van U.W.V. De Zwaluw over 22 km.

Ze ontmoeten elkaar eind mei in het Nederlands clubkampioenschap, bij een wedstrijd van 50 km op de straatweg Amersfoort – Ede heen en terug. Achter de winnaars van de Amsterdamsche Athletische Club wordt het vijftal met Van Appel, van de Utrechtsche Wielrijders Sociëteit, tweede. De Zwaluw met Immink wordt teleurstellend zesde. Anton behaalt dat seizoen wel meerdere ereplaatsen op de weg. Maar hij maakt in juli in Rotterdam – Utrecht v.v. over 113 km ook al na enkele kilometers in Kralingen ‘een hevigen val’ door een doorbrekend rijwiel, en hij wordt naar ‘een uitspanning in de buurt gedragen’ om bij te komen. Pieter doet het beter met een twaalfde plaats. Hij etaleert zijn talent ook nog eens met overwinningen in Beverwijk – Alkmaar, en een wedstrijd van 50 km in het noorden tussen Paterswolde en Assen, waarmee hij fraai een Burgers ‘race-machine’ wint.
Wielrenner P.G. van Appel in 1895 HUA818405
1895 is een vergelijkbaar jaar voor Anton Immink (die nu woont op Oude Kamp 2) met ereplaatsen zoals een zesde plaats in een sterk deelnemersveld in Leiden – Utrecht v.v. over 100 km. Maar dit is ook het jaar dat in Utrecht Oost het sportpark van eigenaar-‘projectontwikkelaar’ Moerkoert wordt geopend. Het heeft een mooie cementen wielerbaan, grasweides voor voetbal en cricket, en een zwembad aan de Minstroom. Pieter van Appel stort zich vol overgave op het baanrijden, waarbij hij meerdere keren uitkomt tegen superster Jaap Eden, niet alleen in Utrecht, maar ook in Arnhem en Venlo. Bij de verregende officieuze opening van de baan op 19 mei wint hij wedstrijden over 1 en 10 km, en als het op 23 mei officieel wordt overgedaan, bij mooi weer en wapperende vlaggen, wint hij de race voor ‘nieuwelingen’ over 2 km. In juni en september wint hij nogmaals, met als grootste trofeeën winst in de nationale wedstrijd om het ‘Jaap Eden-vaandel’ en het clubkampioenschap van de Utrechtsche Wielrijders Sociëteit.

1896 is een bijzonder jaar in de Nederlandse wielersport: de A.N.W.B. staat na lang tegenstribbelen professionalisme toe, wielrenners mogen voor het eerst hun brood verdienen met hun sport. Dat is niet voor iedereen een onverdeeld genoegen. G.J.M. Hogenkamp schrijft in zijn klassieke wielerboek 'Een Halve Eeuw Wielersport' van 1917, dat veel rijders prof ‘moesten’ worden ‘als zijnde bij den rijwielhandel annex, maar allen waren daar lang niet mee ingenomen. 'Want men vergete niet, dat zij uit puren sportzin de wielersport beoefenden, en nu zij gedwongen gelden om geld te rijden, verdween de bekoring er van al spoedig.’ Hoe het ook zij, de Utrechtse baan krijgt de landelijke primeur van wedstrijden voor beroepsrijders. Op 26 april 1896 rijden Anton en Pieter met en tegen elkaar, voor prijzen in de orde van grootte van f 10 tot f 40. Pieter wordt tweede in een race over 5 km met de sterke Amsterdammer Paul Langeveld als winnaar (en Anton lang aan de leiding maar uiteindelijk buiten de prijzen). Anton wordt wel tweede in de race over 5 km, gewonnen door de Utrechter J.P. Smit. Dat Immink inmiddels in zijn smederij fietsen bouwt, maakt hem inderdaad gedwongen prof, maar Pieter is een ander verhaal: Hogenkamp plaatst hem ook in de rijwielhandel, maar dat is niet juist. Pieter is boekhouder bij een verzekeraar.

In juli van dat jaar behaalt Anton het mooiste succes van zijn wielercarrière, in de eerste Nederlandse internationale langeafstandswedstrijd voor profs, Rotterdam – Utrecht v.v.. Hij wordt tweede achter de Belg Henri Luyten, maar voor de Fransman Maurice Garin. In oktober wint hij het clubkampioenschap van De Zwaluw over 15 km. De Fransman Maurice Garin wordt later tweevoudig winnaar van Parijs – Roubaix en van de eerste Tour de France van 1903. Pieter racet ondertussen op de Utrechtse baan, met records op de 1⁄2 mijl in 1.05 en 1⁄4 mijl in 26 seconden, met een gemiddelde snelheid van 56 km/uur. Hij wordt gegangmaakt, zoals het bij de profs gaat, door een speciaal ingehuurd ‘quadruplet’. Hij behoort op de baan bij de nationale top.

De Amsterdammer Kobus Vrouwes wordt gegangmaakt door een quadruplet op de baan van Amsterdam. Bron: G.J.M. Hogenkamp, Een Halve Eeuw Wielersport, Amsterdam, 1917
In 1897 pakt Pieter het voortvarend aan. De Utrechtse baan legt al na twee jaar het loodje door zwakke organisatie en gebrek aan belangstelling bij het publiek, maar Pieter scoort podiumplaatsen bij internationale baanwedstrijden in Amsterdam, Baarn, Den Haag en Tilburg. Daarbij is hij niet alleen individueel succesvol, maar ook bij het hogesnelheidsraces als lid van een nieuw opgezet Amsterdams-Utrechts wedstrijd-quadruplet. In Amsterdam in april raken ze betrokken bij een valpartij; zonder veel erg, maar de wielersport is zo onderhand een duivelse snelheidssport aan het worden.

Op 28 juni is er een race over 2 km op de baan in het Amsterdamse Willemspark. Een rijder maakt een verkeerde beweging, de rest komt niet met de schrik vrij. De Kampioen verwoordde het: ‘De rijders reden elkaar aan, en het was Van Appel uit Utrecht, die deze botsing het zwaarste trof. In vliegende vaart naar boven willende uitwijken vloog hij met zijn machine tegen de balustrade aan, vloog er zelf overheen, helaas tegen een der palen van de dakbedekking aan, en weer terug de baan op, ellendig achterover glijdende het middenterrein in. Geen wonder dat de arme Utrechtenaar, altijd zoo kalm, daarom sympathiek in zijn optreden, bewusteloos, ja voor halfdood, naar zijn box gedragen moest worden, waar hem natuurlijk onmiddellijk, door twee doktoren zelfs, geneeskundige hulp verschaft werd, en op wier raad Van Appel zoo spoedig zijn toestand zulks toeliet per brancard naar kennissen aan de Nassaukade woonachtig getransporteerd werd.’ Ook de Amsterdammer Wieman raakt behoorlijk gekneusd, aan hoofd en ledematen. Hoewel het een van de zwaarste ongelukken van dat jaar is, constateren de doktoren bij Pieter uiteindelijk toch alleen maar ‘een lichte hersenschudding.’

Anton, die later op de dag nog moet deelnemen aan een race over 10 km, ziet het voor zijn ogen gebeuren. Pieter van Appel komt nooit meer in wedstrijden uit, alhoewel hij actief blijft als jurylid bij Utrechtse wedstrijden en is jarenlang afdelingsconsul voor de wielrijdersbond ANWB. Anton Immink rijdt, en wint, in 1898 nog bij 5-jarige jubileumwedstrijden van De Zwaluw op de in onbruik geraakte Utrechtse baan. Een ongeluk was voldoende voor het einde van twee Utrechtse wielercarrières.
Immink met zijn vrouw circa 1938 op een tandem met Imco-achternaaf
Niet veel later zijn beide mannen een eigen zaak begonnen. De fabrikant van fietsen en automobielen ofwel mobiliteitsspecialist Immink doet wel heel iets anders dan de verkoper van verzekeringen Van Appel. In 1906 met slechts een enkel pand ertussen op de hoek Wittevrouwenstraat/Ridderschapstraat 1-3 en het pand met kantoor aan huis Wittevrouwenstraat 30. Beide mannen blijven jarenlang supporters van het wielrijden.

Utrechts Nieuwsblad - Van Appel op Wittevrouwenstraat 30
In 1916 briefdrukkaart met reclame voor de Ziekenwagen van Immink