De politiepost Wittevrouwen

Vroeger durfden we ‘s avonds de straat niet op. Vroeger werden elke dag auto’s open gebroken en hield je je fiets minder dan een jaar, weer gejat. Vroeger kwam je bij de politie van een koude kermis thuis, van een aangifte hoorde je niets meer. 

Veiligheid en de stad: in de middeleeuwen is de stad de veilige veste. De stad staat voor gerief, bescherming, voedsel en onderdak. De meeste middeleeuwers stellen zich een hemels verblijf voor als een stralende stad. Dat is nu wel anders: een hemels verblijf is eerder een open veld tussen de ruisende bomen. Daar kan de middeleeuwer zich weer niets bij voorstellen. De buitenruimte is woest, onontgonnen. Je kunt er overvallen worden door noodweer, verdwaald raken, belaagd worden door rovers of dieren. De stad is juist met haar stadsmuren en stadspoorten de veilige haven. Dat is ook vroeger, het is een tegenstrijdig beeld.

Rond 1600 zou de stad Utrecht een schout met 8 dienders tot zijn beschikking hebben gehad. De dienders wonen in panden naast de Plompetoren. De straat heet toepasselijk de Diendersteeg. Enkele eeuwen later tussen 1800 en 1900 groeit Utrecht van 30.000 naar 100.000 inwoners. De voorzieningen blijven achter bij de groei van de stad. In romantische verhalen gaat het over de solidariteit van de mensen en de sfeer van kameraden en buren die gezelligheid zoeken. De werkelijkheid was anders. In bepaalde buurten durft de politie zelfs niet te komen. Ook de aanwezigheid van soldaten drukt een bepaald stempel op de stad. Jonge mannen in de leeftijd van 17 tot 21 jaar hebben uitlaatkleppen nodig.

De Wittevrouwenbrug in 1908 als politiebureau HUA2972
Circa 1860 is de politiepost geopend in het accijnshuis bij de Wittevrouwenbrug. De agenten en wachtcommandant hebben er gezelschap van de militaire wacht voor de Willemskazerne aan de Wittevrouwenbarrière. Vanaf deze post houden de agenten toezicht gehouden op het in- en uitgaande verkeer van de stad en patrouilleren ze in de buurt. De politiepost blijft tot 1985 op deze plek, het is zelfs flink uitgebreid met de laagste verdieping van de voormalige zijvleugel van de Willemskazerne. Tot 1960 is de bovenverdieping van de post verhuurd. Weduwe W..M. Vermooten-Knopper betaalt in 1928 f 650,- huur per jaar. Zij verhuurt kamers met of zonder pension.
Het politiekorps in 1870 heeft nog geen 150 man in dienst, op een bevolking van 60.000 burgers. Het is dan al enorm gegroeid, in 1860 is het korps nog maar 80 man groot. Van die 150 man in 1870 zijn er overigens 60 agent derde klas, zij hebben alleen nachtdienst. Nog eens 30 zijn agent vierde klas, naast een andere baan overdag waken ze in de nacht. De politie is nog nergens. Geschillen worden vooral onderling opgelost, of niet.

De lieve jeugd trekt zich geen moer aan van de politie. Zij stoppen brandende proppen papier in brievenbussen van onbewoonde woningen, gooien de ruiten in en slopen complete interieurs. Agenten te paard worden bekogeld met stenen, dames en dienstbodes worden lastig gevallen en ze jatten als de raven. Toch zijn de straffen niet mals, lijfstraffen op het openbare schavot, verbanning uit de stad, jarenlange eenzame opsluiting of overplaatsing naar Veenhuizen behoren tot de normale straffen voor zelfs kleine vergrijpen. De pakkans is echter klein.

Wachtcommandanten der politie Utrecht circa 1890
De politie wordt er vooral alleen op uit gestuurd. Het lopen in koppels zou de kletskans maar vergroten en daardoor de alertheid verminderen. Tot de eeuwwisseling zijn de belangrijkste eisen voor een agent: hij moet lang en breed zijn, voorzien van een grote snor en grote handen.
In 1899 stelt het Algemene Nederlandse Politiebond een landelijk examen in. Het examen is gebaseerd op de thuis te leren ‘Handleiding voor veldwachter en hen die het willen worden’, een boekje waarvan de eerste druk in 1860 het licht zag. In 1921 opent in Hilversum de eerste politieschool. Met een opleiding van één jaar worden ook de Utrechtse dienders vanaf dat jaar geprofessionaliseerd.

In 1961 is een arrestantenwagen de Plompetorengracht ingereden
Tot in de jaren zestig surveilleren de dienders bijna dagelijks per fiets door hun buurt. De politie is zichtbaar aanwezig. Met het uitschrijven van 10 bekeuringen per maand voldoet hij aan de norm. Na 1900 behoort ook snelheidscontrole van het autoverkeer bij de taak. Auto’s kunnen gemakkelijk bijgehouden worden met de fiets. Een agent bekeurd in 1907 een automobilist die 31,5 km per uur rijdt. De automobilist wordt overigens vrijgesproken. De agent had de snelheid herleid door de seconden te tellen waarbinnen de straat gepasseerd werd van de Wittevrouwenbrug tot de Voorstraat. Met een lengte van 175 m kwam hij op 31,5 km per uur. Ter rechtszitting werd als bezwaar ingebracht dat de agent de lengte van de straat niet gemeten had. Nadat dit bleek te kloppen, werd de bekeuring ingetrokken. In 1922 krijgt de politie haar eerste eigen auto. Om op te vallen is ze knalrood geschilderd. Met of zonder die kleur: de huidige 2.360 agenten en hun dienstauto’s zijn nauwelijks aanwezig. Met de tijdelijke wijkpolitiepost aan de Voorstraat was dat een tijdje anders.

Veiligheid is nu een van de factoren die de leefbaarheid van de buurt bepaald. De cijfers uit 2009 laten nog zien dat het naar onze beleving nog beter kan. Al scoort het goed, het zal nog wel even duren voor we het wonen in de binnenstad weer als een hemels verblijf gaan ervaren.

.