Einde van vesting Ridderschapkwartier


De bevolking wordt opstandig van de privileges die de gegoede stand zich aanmeet. In 1795 haalt het de Fransen welwillend binnen, dit keer heel anders dan in het Rampjaar 1672.



Nederland blijft met Napoleon tot 1813 in de Franse invloedsfeer, eerst nog als Republiek maar dan toch als onderdeel van het Koninkrijk van Frankrijk. Niet te lang, Napoleon verliest zijn oorlogen in het buitenland en heeft zijn hand overspeeld in Rusland. Vanaf het Oosten rukken de bevrijders op naar het Franse Koninkrijk, waarvan Nederland inmiddels onderdeel is als departement aan de Zuiderzee.

De Kozakken komen Utrecht binnen via de Wittevrouwenpoort. 
Een schilderij van Pieter Gerardus van Os (1776-1839) uit 1816, 
Centraal Museum Utrecht
Kozakken bevrijden ons, kozakken? Stadgenoot apotheker Ketel, buurman op de hoek Voorstraat-Plompetorengracht, heeft de gebeurtenissen in zijn dagboek genoteerd. In de nacht van 28 november 1813 hebben de Fransen de stad zo stil mogelijk verlaten via de Tolsteegpoort. Op zaterdag is het marktdag, maar ze bleef door de heersende schaarste grotendeels leeg. De meeste dorpsschuiten kwamen niet, de dorpen hebben weinig meer te bieden voor de verkoop. Geruchten gaan rond over oprukkende Russen en Duitsers vanuit Amsterdam. In het midden van de dag komt met vaart een express te paard naar het hoofdkwartier van de Franse kolonel Molitor aan de Wittevrouwenstraat. Vlak erna worden uit de omgeving meer dan 50 boerenwagens gevorderd voor transport van de zieken uit het hospitaal. Na de schemer om zes uur is het rustig, de avondklok verbiedt het de straat op te gaan. In de nacht is te horen hoe het hele zaakje in beweging komt, iedereen en alles van Napoleon verlaat de stad.

Apotheker Keetell:
  ‘Ho, ho!
  Daar gaan ze!
  Waarlijk daar gaan ze!
  Allemaal!
  Het hele boeltje gaat heen! (…)
  Zijne Keizerlijke Majesteit [Napoleon] lag eensklaps - - -
    met zijn neus in het zand gedolven.
  Ziet dan, hoe dat aftrekken der Fransen zich heeft toegedragen.
  Al schielijk na middernacht omtrent 1 uur geraakten de
  Militairen in beweging. Zij alle kwamen in de wapenen,
    zonder dat er te voren appel of vergadering was geslagen.
  Terwijl dit gebeurde kwam geen burger te voorschijn.
  Een ieder hield zich maar stilletjes binnen de muren (…)
  Zij [de Fransen] marcheerden alle de Tolsteegpoort uit
    de Vaartsche Rhijn langs.'

Op zondag wordt gehaast de stad ontdaan van keizerlijke uitingen. De poorten blijven gesloten. De zondagsdiensten gaan niet door. Drie Russische Kozakken vertonen zich voor de Wittevrouwenpoort. Als vriend bezoeken ze de stad. Tegen de avond gaan ze naar hun gewoonte onder de blote hemel kamperen en wel op de Maliebaan. Op maandag kleurt de stad geleidelijk meer en meer oranje, de vreugde over de bevrijding en de komst van de Prins van Oranje Nassau is algemeen. Net na het middaguur op maandag 29 november komt een onafzienbare trein van meer dan 1.000 Russische Kozakken door de Wittevrouwenpoort de stad in. Na drie uur komt nog een regiment Pruisen binnen, troepen zwarte Huzaren en een corps Pruisische artilleristen. De Russische Generaal Prins Narritski wordt ondergebracht in Hotel Antwerpen aan de Oude Gracht.

De dinsdag worden al nieuwe provincie- en stadsbesturen geïnstalleerd. In het stadsbestuur van Utrecht nemen 12 leden zitting waaronder onze buurtgenoten Swellengrebel (Plompetorengracht 11) en Van den Velden (Plompetorengracht 18). De stad wordt overgedragen aan de Prins van Oranje en een defilé van troepen trekt aan de hossende oranje menigte voorbij. Op donderdag vertrekken de meeste troepen Utrecht alweer, al blijkt dit maar tijdelijk. Enkele dagen later zijn er zoveel troepen in de stad met hun paarden dat bijna elke woning onderdak moet geven, ook aan de paarden die zo door de gangen naar de achtertuinen geleid worden. In de loop van december wordt het normaler in de stad.

Kozakken: tekening uit Wikipedia
De Kozakken hebben met hun verschijning op snelle, pittige, stekelharige paardjes een onuitwisbare indruk achtergelaten. De ruiters zitten met hun woeste baarden en bonte kleding op hoge zadels, papasjka´s (bontmutsen) dragend en hoge bontgevoerde kaplaarzen. Als bescherming tegen de kou dragen ze over hun uniform verschillende (ook buitgemaakte) kledingstukken die bestaan uit schaapsvachten en zelfs lange jurken. Al met al maken de soldaten een onfrisse indruk op de Nederlandse bevolking. Ze zijn tot de tanden bewapend: aan de rechterzijde een lange lans, aan de linkerzijde een sabel (sjasjka) en over de schouder een geweer zonder bajonet. Daar komt bij dat de soldaten niet over de meest voorkomende manieren beschikken. Het lijkt geen fris volkje dus, prima dat ze graag buiten slapen.

Na deze schermutselingen wordt het op oorlog- en legergebied rustiger in het land. De oorlog maakte wel duidelijk dat Nederland slecht voorbereid was.

In de 19e eeuw wordt voortgeborduurd op het verdedigingswerk van de Republiek: de Hollandse waterlinie. De waterlinie wordt verlegd rondom Utrecht met de diverse forten. De eerste schetsen daarvan dateren uit 1796. De bouw neemt geruime tijd in beslag. Het gehele complex van sluizen, forten en andere werken dat in 1815 is gepland, wordt pas omstreeks 1870 volledig voltooid.

Toren Hond en bolwerk Wolvenburg op de al bijna afgegraven stadswal 
naar een tekening van L.T. Nepveu circa 1820 (HUA 30875)
Nederland is versleten, geplunderd en arm na de Franse periode. Pas jaren later is er weer iets geld voor opbouw en verdedigingswerken. Dat begint met sloop. Het eerste deel van de vesting Utrecht wordt in het Ridderschapkwartier gesloopt in 1820, stadswallen met een kleine muur. Het is voor de bouw van de Willemskazerne. De afbraak gaat tot en met alle opstallen op het terrein van Van Reede van Athlone en toren Hond, in 1810 al gekocht door Het Rijk en al jaren dienend voor de huisvesting van soldaten. In de bestrating van de Wittevrouwenkade zijn de contouren van deze toren terug te vinden. De kazerne staat met de rug naar de singel en is op die manier nog onderdeel van het verdedigingswerk tegen de singel. De nieuw ontstane kade begint in deze tijd met de naam Wittevrouwenbarrière.

In 1828 vindt de stad het met de onderhoudswerken aan de muren en verdedigingswerken wel genoeg, het kost veel te veel geld. Met opmerkelijk gemak weet burgemeester Kien zijn voorstel tot afbraak goedgekeurd te krijgen. Ook van de regering van Nederland krijgt Utrecht toestemming om de stadsmuren te slopen, de militaire werken aan de waterlinie zijn inmiddels ver genoeg gevorderd. Internationale vredesverdragen zijn eveneens wegbereider voor de sloop van de oude verdedigingswerken.

De stad heeft het gevoel weer vrij te kunnen ademen, voor de tweede keer, het Rampjaar 1672 meegerekend. In het Ridderschapkwartier blijft de Wittevrouwenpoort nog staan, evenals bolwerk Wolvenburg. De Plompetoren met zijgebouwen worden in 1825 nog bewoond. Deze toren met de overblijfselen van torens Hond en Vos, stadswallen en muur zijn in 1840 allen gesloopt, daarmee ruimte makend voor de nieuwe Wolvenstraat en het Wolvenplein.

.