In 1664 is de Ridderschapstraat aangelegd, dwars over het terrein van het Wittevrouwenklooster

In de loop van de 17e eeuw is het krap binnen de stadsmuren. De bevolking groeit en de prijzen van woningen rijzen de pan uit. Het stadsbestuur is naarstig op zoek naar terrein binnen de beschermende stadsmuren. Vrijwel alle gebied is al benut, echter in de noordoostelijke hoek is nog terrein vrij. Nou ja, vrij te maken.


De stad blijft aan het bouwen en verdedigen. De kaart uit 1649 is gemaakt op basis van een originele kopergravure uit 1598 door Van Vianen - familielid van Utrechtse edelsmeden. De veranderingen van de stad zijn 50 jaar later goed in te tekenen. De molen is inmiddels binnen de singel geplaatst en de Wolvenburg aangelegd. Voor de veiligheid van de stad worden grote investeringen gedaan. Bouwen buiten de singels durft het bestuur en de burgerij niet goed aan. Binnen de muren en wallen staan het Wittevrouwenklooster met de Wittevrouwenkerk, 'conventshuijzingen' en bijbehorende schuren en stallen. De toegang is in de Wittevrouwenstraat, in het blinde steegje. Het klooster beslaat een behoorlijk terrein. De toestand van het klooster wordt in 1661 beschreven door A. Rademaker. Hij vertelt erover: “de kerk of kapel is eigenlijk dubbel. De kapel staat nog behoorlijk in rak en dak. Naast haar verrijst de kerk, het hoofdgebouw, dat uwe deernis wekt door den haveloozen staat, waaruit zij, van dak half beroofd, naar u heenschouwt. Zonder ontroering kan niemand dit droeve tafereel gadeslaan.” (Reizigers Kabinet van Nederlandse en Cleefsche Oudheden, deel VI). Het terrein staat onder beheer van de Ridderschap van Utrecht.
Een tekening van het Abdijhuis is in 1720 gemaakt door J. Stellingwerf
op basis van waarschijnlijk een ouder exemplaar uit circa 1600, HUA 37765
Het Wittevrouwenklooster staat onder beheer bij de Ridderschap, die daarover verantwoording dient af te leggen bij de Staten van Utrecht, waar ze voor een behoorlijk deel weer zelf in zitten, dat dan weer wel.

De stedelijke overheid dringt er bij de Ridderschap op aan het terrein van het Wittevrouwenklooster te ‘betimmeren’. In april 1647 wordt de heer Borre van Amerongen gemachtigd door de Ridderschap om met de landmeter Paulus Ruisch te onderhandelen om van de erven ‘specterende aan het Convent, tegen minstens kosts te maecken, grontteijckeninge ofte een bequam plan ende in wat wegs deselve best in koope souden dienen uijtgegeven te worden’.

Landmeter Paulus Ruisch zet de plattegrond van het klooster op 
een tekening, de tuinen lopen door tot de Molenstraat. Op het
kloosterterrein is al sprake van een soort particulier bewoning.
Van het plan komt niet veel terecht, rentmeester Herman van Ewijck weet het plan te frustreren. Misschien wonen er nog wel teveel Juffers uit adellijke kringen in het klooster. Rond 1655 worden zelfs enkele gebouwen en de kerk enigszins gerestaureerd. Veel families uit de hoogste kringen, de Ridderschap, hebben Juffers in het klooster of in het klooster gehad. De belangen van de familie dienen beschermd te worden, er is nog geen haast.In 1663 is het echter wel zover. Na branden in 1662 en 1663 is de tijd rijp, gezegd wordt dat bij het bakken van oliekoeken de brand is ontstaan. Dwars over het kloosterterrein heen wordt de Ridderschapstraat aangelegd. Een besluit van de Vroedschap maakt dit mogelijk en de straat wordt de Ridderschapstraat genoemd.

T' Concept van de platgrondighe afbeeldingh des stad Utrecht.
Anno 1664 door Hugo Ruysch, collectie Universiteit
Op deze kaart uit 1664 van tekenaar Hugo Ruysch is de Ridderschapstraat al ingetekend. Links op de kaart staat plan Moreelse, dat is niet doorgegaan.
De kerk van het klooster blijft voorlopig met enkele gebouwen aan de Wittevrouwenstraat staan. De gegoede burgers aan de Plometorengracht bouwen in hun achtertuin een koetshuis. In de Ridderschapstraat verrijzen in snel tempo de eerste huizen. Hebben de grondspeculanten en projectontwikkelaars toegeslagen?

.